Rondetafelgesprek Tweede Kamer over de ontwikkeling van proefdiervrije onderzoeksmethoden

Op 14 september 2017 sprak de Vaste Kamercommissie Economische Zaken in een rondetafelgesprek in de Tweede Kamer over de ontwikkeling van proefdiervrije onderzoeksmethoden. Aanwezige leden van de commissie: voorzitter Dion Graus (PVV), Carla Faber (CU), Tjeerd de Groot (D66), Rik Grashoff (GL), Frank Wassenberg (PvdD), Frank Futselaar (SP) en Helma Lodders (VVD).

In een constructieve sfeer werd ruim de tijd genomen om de stand van zaken te bespreken met betrekking tot de ontwikkeling van proefdiervrije methoden en vooral: hoe deze in de praktijk worden geïntroduceerd. Marja Zuidgeest van ProefdierVrij sprak van een ‘Valley of Death’: volgens haar blijven veel ontwikkelde alternatieve methoden in de kast liggen. De discussie richtte zich vervolgens op de beperkingen van de huidige dierproeven voor veiligheidsonderzoek en de beperkte voorspellingswaarde voor de mens. Er werd geconcludeerd dat er veel moeite gaat zitten in de validatie van alternatieve methoden, omdat die andere uitkomsten geven dan de gebruikelijke dierproeven. Dierproeven en alternatieve methoden geven beide informatie, maar niet het complete plaatje. Het is daarom niet zo zinvol om te proberen dierproeven een-op-een te vervangen. Als het wel lukt, gaat veel tijd zitten in de acceptatie door de instanties die nieuwe producten tot de markt toelaten. Nieuwe laboratoriumtesten maken het mogelijk om op menselijke cellen te testen, maar het bouwen van mini-orgaantjes is niet eenvoudig en het is onmogelijk met deze mini-orgaantjes een volledig lichaam na te bouwen. Wellicht dat dit in de toekomst wel kan.

Tijdens het rondetafelgesprek vroegen de Kamerleden de aanwezige wetenschappers om advies. Er werd uitgelegd dat het valideren van alternatieve methoden (vergelijken met de uitkomsten van dierproeven) kostbaar, langdurig en omslachtig is, wetenschappelijk niet uitdagend en vaak teleurstellend. Bij het ontwikkelen van alternatieve methoden moet men vooral weten wat het te bereiken doel is. Om te voorkomen dat iedereen voor zichzelf aan de slag gaat, zou coördinatie nodig zijn. Maar dat is niet voldoende. De samenwerking moet zich uitstrekken tot het buitenland waar ook alternatieven worden ontwikkeld. De acceptatie door toelatingsautoriteiten is ook een internationale zaak.

Voor het fundamenteel en het biomedisch onderzoek is dit alles nog veel complexer, het gaat daarbij niet om het vervangen van routinemethoden. De onderzoeksmethoden ontwikkelen zich snel. Dat geldt ook voor de mogelijkheden om weefsels na te bouwen. Er wordt veel gewerkt met menselijke cellen, maar daarnaast zijn ook dierproeven nodig. En sommige orgaansystemen, zoals hersenen, zijn niet na te bootsen. Er wordt veel onderzoek gedaan aan hersenen, de werking en ziekten ervan: bij patiënten, met proefdieren, en met hersenen van overledenen. Tientallen procenten van de bevolking hebben een hersenziekte of zullen die krijgen. Hersenziekten vormen een groot probleem.

De conclusie was dan ook dat er nog veel meer samengewerkt moet worden: tussen wetenschappelijke vakgebieden, maar ook tussen de betrokken ministeries en met andere Europese lidstaten. Met Engeland gebeurt dat al, maar het is zeer de vraag of dat land nog lang lid zal zijn van de EU. Onduidelijk is hoe de samenwerking met dit land daarna vorm zal krijgen.

Bron: www.stichtinginformatiedierproeven.nl